Recht op eigen mening en inspraak: iets meer
De bescherming en de uitoefening van de vrije meningsuiting word beschouwd als essentieel in een democratische samenleving. De "vrijheid om informatie en ideeën te zoeken en mee te delen via de media" impliceert het bestaan van vrije en onafhankelijke media.
Staten verbieden deze rechten vaak uit angst voor andere meningen dan de hunne, die een bedreiging zouden kunnen vormen voor hun macht. Maar, hoewel ze er in het eigen land misschien in slagen om deze vrijheden te beperken, is het onmogelijk om gedachten, meningen en de uitdrukkingen ervan helemaal aan banden te leggen: men kan een boek bv. wel verbieden in een bepaald land, maar dit verhindert niet dat het elders wel wordt gelezen, of in een andere vorm onder de mensen circuleert.
Vrijheid van mening is echter geen absoluut recht: in bepaalde gevallen mag ze wel degelijk aan banden gelegd worden. Voorbeelden van meningen die verboden mogen worden, zijn oorlogspropaganda of uitingen van religieuze of raciale haat die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld. Toch moet elke beperking op de vrije meningsuiting in overeenstemming zijn met legitieme, legale en democratische criteria: het mag zeker niet willekeurig gebeuren. Het is dus zeer belangrijk om duidelijke regels op te stellen.